Scherpstelling - de grondbeginselen

Scherpstelling - de grondbeginselenEen van de meest in het oog springende kenmerken van een foto is de scherpte. Het oog wordt direct getrokken naar het scherpe deel van de foto. Bijna alle digitale camera's hebben een automatische scherpstelling (auto focus).
Actieve autofocus systemen zenden een infrarood signaal uit en berekenen de afstand uit het teruggekaatste signaal. Passieve autofocus bepaalt de afstand tot het onderwerp op basis van licht en contrast van het voorwerp. Uiteraard moet het onderwerp zich in de zoeker bevinden, waarna u de ontspanner half indrukt om scherp te stellen. Behalve door de nauwkeurigheid van scherpstellen, wordt de scherpte van de foto ook bepaalt door beweging van camera of onderwerp. Dit wordt bewegingsonscherpte genoemd. Beweging van de camera kan worden voorkomen door de camera met arm en lichaam goed te ondersteunen en de ontspanner zachtjes in te drukken. U kunt ook een statief gebruiken. Om het onderwerp scherp in beeld te krijgen kunt u een korte sluitertijd gebruiken om het voorwerp te 'bevriezen'. Hoe langer de brandpuntsafstand des te korter de sluitertijd moet zijn voor een 'onbewogen' foto. Vuistregel: de sluitertijd moet niet langer zijn dan de brandpuntsafstand van de lens. Dus bij f/300 hoort 1/300s of korter (1/500s).